Alpine Skiën





Het klassieke Alpine Skiën (met de moderne varianten ondergebracht in het Freestyle Skiën) bestaat uit 4 onderdelen en een combinatie.

1. Slalom


De slalom is het meest technische onderdeel. Op een korte maar steile helling moet de skiër door 55 tot 75 poortjes heen (vrouwen 40 tot 60).
De piste mag de naam sneeuwhelling nauwelijks hebben, vaak is het meer een ijsbaan. De slalom bestaat uit twee rondes op dezelfde helling maar met een verschillend parcours.
Winnaar is diegene met de snelste totaaltijd.

2. Reuzen slalom

Bij de reuzenslalom staan de poortjes veel verder uit elkaar in vergelijking tot de slalom. Het hoogteverschil is tussen de 300 en 450 meter ( 300 - 400 voor vrouwen) en het aantal poorten ligt tussen de 56 - 70 ( 46 - 58 voor vrouwen).
Het aantal poorten hangt of van het hoogteverschil van start tot finish. Net als bij de slalom zijn er twee heats.
In de tweede heat starten de snelste 15 ( soms 30) van de eerste heat in omgekeerde volgorde van de tijd in de eerste heat. De langzaamste begint als eerste.

3. Super-G

De Super G is de reuzen-reuzen-slalom, een kruising tussen reuzenslalom en afdaling, met minder blauwe en rode poortjes. Er doen minimaal 35 mannen en 30 vrouwen mee.
De snelheid is hoger. In vergelijking tot de afdeling is het hoogteverschil beperkt van 500 tot 650 meter voor mannen en van 400 tot 600 meter voor de vrouwen.

4. Afdaling

De snelheid is het enige wat telt in de afdaling.
Wie het snelste beneden is en daarbij tussen de rode vlaggen links en rechts van de route is gebleven wint.
Kracht is wat nodig is om de ski's, diep gehurkt voor een aërodynamische houding, bij 120 kilometer per uur onder controle te houden.
Er zijn voorrondes en finales op hetzelfde parcours. Het hoogteverschil tussen start en finish ligt tussen de 800 en 1100 meter voor mannen en 500 en 800 meter voor vrouwen.

5. Combinatie

Dit onderdeel combineert het technische onderdeel slalom en het krachtdeel afdaling om de allrounder te bepalen.

Poortjes

Heb je je wel eens afgevraagd waarom er altijd veel meer paaltjes staan dan er nodig zijn voor een slalom?
De term slalom geeft je het idee dat er tijdens de afdaling om de palen (of vlaggen) heen geslalomd wordt. Hoewel het daar in de praktijk op neer komt is het niet helemaal juist.
Elk rode of blauwe paal waar de atleet zo dicht omheen gaat heeft een paal van dezelfde kleur iets verderop staan. Er moet tussen deze twee palen, die samen een soort poort vormen, geskied worden om en om rood en blauw. Ook bij de afdaling staan er links en rechts van het parcours vlaggen en moet de skiër hier tussen blijven.



Opdrachten

1. Zoek in je woordenboek de betekenissen van de volgende woorden op:

2. Beantwoord hier de vragen over de inhoud van deze webpagina.
3. Speel hier het Alpine Skispel.